Navigatie


Ergens tijdens het lezen van dit boek, bedacht ik me dat dit boek “Volmaakt schoonheid” zou moeten heten ipv "Volmaakt monster". Niet alleen omdat dit een supergoed boek is, want dat is het als je van een specifiek soort horror houdt, maar omdat schoonheid en het monsterlijke twee subjectieve waarnemingen zijn die iets over de waarnemer zeggen en niets of weinig over degene die wordt geobserveerd. Zonder teveel van het titelverhaal te verklappen, vindt de protagonist van het titelverhaal, zichzelf helemaal niet monsterlijk, verre van. Ze heeft eindelijke vrede met wie ze is.

 

Deze tegenstelling komt vaker in dit boek terug. Het loopt niet noodzakelijk als een rode draad door het boek heen; daarvoor zijn de verhalen te gevarieerd. Maar het komt terug in verhalen als “Honger”, maar ook in “Club Bizarre”. Het overkoepelende thema is dan ook niet de inhoud van de verhalen, maar het soort horror dat hier ter tonele komt.

 

Dit is horror van het vreemde. Het ontastbare. Soms het absurde. Horror waar fantasie de vrije loop neemt. Zo lezen we een verhaal over een zombie die vecht met wat hij is geworden, tot het monsterlijke in hem het uiteindelijk wint. We lezen over een schip in de zestiende eeuw die letterlijk in Terra incognita (destijds een veel gebruikt woord op wereldkaarten die onbekende gebieden aanwees) verdwijnt. We lezen over de tunnels in Antwerpen die de vergankelijkheid van de stad weerspiegelen. En zo zou ik nog een aantal andere voorbeelden kunnen noemen. Dit zijn negentien verhalen. Niet allemaal noodzakelijk plot gedreven. Niet allemaal met een einde dat op je afkomt (soms zie je het einde aankomen). Het is niet noodzakelijk horror van de twists en de turns; maar horror van het onbegaanbare, met hier en daar een zweem van humor dat tevens in  prachtige proza wordt vertaald:

 

Zinnen zoals (en let op de beeldspraak, als de protagonist in de ondergronds tunnels van Antwerpen rondloopt en om zich heen kijkt):

 

De reusachtige keelgaten ademden de geur uit van verschaalde urine.

 

Of:

 

Hun voetstappen weerklonken wat verderop in de tunnel en stierven geleidelijk aan weg, om uiteindelijk te versmelten met het gedruppel van de stalactieten.

 

Of misschien mijn favoriete:

 

Was zijn laatste droom de droom teveel?

 

Deze laatste zin zegt misschien heel veel over de stijl en stroming waarin Tom Thys zich bevindt. Want zijn verhalen voelen dromerig. Hier loopt fantasie, gruwelijkheid en absurdisme door elkaar.

 

Dat er daardoor soms inhoudelijke tegenstrijdigheden optreden, kijk je overheen. In het verhaal Terra Incognita, dat in zestiende eeuw afspeelt, wordt over “dimensies” gesproken (pag. 147) in een tijd dat dit woord geen betekenis had. In het verhaal “Club Bizarre” dat over (BD)SM gaat, stelt de hoofdpersonage in dezelfde alinea, dat hij zijn seksualiteit accepteert, dat hij niet de enige sm-liefhebber is (en E.L. James heeft dit wel bewezen), maar noemt zijn handelingen tegelijkertijd “afwijkend” (pag. 255). Dat deze zelfde hoofdpersonage onder het liedje “I wanna be your Dog” van The Stooges naar Club Bizarre rijdt, is uiteraard weer vermakelijk en een geweldige referentie. De vraag die echter naar boven komt, vooral met betrekking tot het “afwijkende”, wat is de stem van de personage en wat is de stem van de auteur? Maar later hierover meer. Dit zijn allemaal slechts kanttekeningen, want je wordt in sommige verhalen meegezogen. Niet alleen door de verhalen zelf, maar ook de proza waar het op deint.

 

En dat deed me weer aan het titelverhaal denken en hoe monsterlijke schoonheid nog steeds schoonheid kan zijn.

 

Om de overkoepelende thema en de ketens die de verhalen aan elkaar verbindt, te begrijpen dienen we in het genre te duiken. Want er drong me tijdens het lezen van de verhalen iets tot me door. Iets wat ik ooit in een voorwoord, een blog of interview heb opgemerkt, namelijk dat “horror” en “griezel” als genre slechts een verzamelnaam is. Je kunt er bijna alles onder verstaan; er zijn verschillende stromingen. Van Slashers (zoals vertaald in films als Saw, Hostel etc.), die nauwelijks diepgang hebben maar vooral gericht zijn op schrikmomenten en het bloederige, tot aan de psychologische horror van Poe, maar ook in de eerste werken van Kafka (denk bijvoorbeeld aan zijn prachtige verhaal “In de strafkolonie”), waar de psyché van de personage centraal staat en waar een persoonlijke of maatschappelijke toedekking wordt ontbloot. (Als je films zou willen gebruiken om deze stroming uit te beelden denk dan aan The Exorcist, Angel Heart of The Exorcisme of Emliy Rose. The Exorcist omdat dit verhaal de ultieme inbraak van de individualiteit aantoont, wat eng is in de Westerse wereld, en Emily Rose omdat deze film meer over de scheidslijn tussen geloof en wetenschap gaat.)

 

En tussen deze twee uiteinden is er nog een derde variant die vele horror schrijvers geïnspireerd hebben. Ik denk dat de voorvader van deze stroming Lovecraft was. (Opnieuw denkend aan films als referentie zou je kunnen denken aan Re-animator.) Een schrijver (Lovecraft) die ook wel eens de voorvader van de “pulp” wordt genoemd. In mijn inzien een verkeerde benaming, want het lijkt dan alsof er geen diepgang in de verhalen zou bestaan, wat absoluut geen recht doet aan de verhalen die Lovecraft heeft geschreven. Bij hem ging het niet noodzakelijk om de psyché van de personage, niet zo obsessief zoals dat bij Poe het geval was. (Poe had in die zin, en je mag het bijna binnen dit genre niet benoemen, literaire aspiraties.) Bij Lovecraft ging het om een voorwerp of een monster; iets waardoor het gewoonlijke plotseling ongewoon aanvoelde.  Of zoals hij zelf in zijn boek Weird Tales aangaf: hij was geïnteresseerd dat menselijke regels en normen geen validiteit hebben in de grotere cosmos en dat hij de lezer met henzelf probeerde te confronteren vaak d.m.v. het occulte, het vreemde en het absurde; waardoor alles op zijn kop begon te staan. Of op een groter en abstracter niveau: hij probeerde ons te vertellen en ons te laten zien dat onze perceptie van de wereld en universum, slechts één perceptie van velen was. En dit was één van de redenen waarom hij veel gebruik maakte van dimensies en het occulte in zijn verhalen. Wat Tom Thys trouwens ook doet. Denk hier straks aan als je in de bundel Volmaakt Monster een verhaal leest waar de wereld plotseling alle kleur verliest. (Een geniale ingeving overigens van Tom Thys.)

 

Wat ik probeer te zeggen is dat de psyché en personage bij Lovecraft secundair waren aan het absurde, het vreemde en dit vreemde kon van alles zijn. Een object. Een voorwerp. Een afzichtelijk monster. Het ging Lovecraft er niet om, om iets van onszelf bloot te leggen of een maatschappelijk kritisch stuk te schrijven, maar meer de nietigheid weer te geven van wat we zijn.

 

Deze stroming binnen het genre heeft een golf van schrijvers teweeg gebracht, zowel bekend als onbekend, die allen door Lovecraft zijn geïnspireerd: de vroege werken van Robert McCammon bijvoorbeeld of Robert Campbell, Dennis Wheatly, James Herbert, Neil Gaiman zijn allen op hun manier door Lovecraft geraakt. Maar ook bekendere schrijvers, zoals King en Barker hebben een zweem van Lovecraft in hun verhalen verwerkt – hoewel ik denk dat King, als het gaat om personage ontwikkeling, zich meer onder Poe zou scharen. King heeft namelijk het talent om de meest afgrijselijke personages een stem te geven. Ook een reden waarom hij in zijn verhalen, zelfs zijn korte, zoveel tijd aan backstories/ achtergrondverhalen spendeert die als doel hebben de personage menselijker te maken. Lovecraft deed dit in mindere mate; hij was meer onderwerp i.p.v. personage gericht.

 

Maakt dit slechte horror? Nee. Is het pulp? Ook niet. Het is gewoonweg anders. Het is horror met een ander doel.

 

Uit het lijstje van Wheatly en Gaiman kunnen we nu dus een naam toevoegen: Tom Thys.

 

Dit drong steeds meer tot me door bij het lezen van het boek Volmaakt Monster: dit zijn Lovecraftiaanse verhalen waarbij het absurde, het onverwachte, en niet noodzakelijk de personage, centraal staan. En Thys doet dit goed. Hij neemt je mee naar onbekende gebieden waar niets is wat het lijkt; van een landhuis, naar ondergrondse tunnels en ver gelegen dorpen, waar het ongewone loerend op je wacht. Of naar een glijbaan die een beetje aan mijn glijbaan deed denken in mijn boek Zwarte muren, behalve dan dat mijn verhaal over een ontwrichte relatie en verlatingsangst ging, en de glijbaan van Tom Thys een stuk schrikwekkender is. Ik zou het zelfs, en ik zeg dit fluisterend, beter willen noemen.

 

Ik zal mijn stelling nog scherper stellen, en dit is stellig en een groot compliment: Tom Thys is misschien wel de Lovecraft in het Nederlandse taalgebied.

 

Maar toch, als ik het vanuit een medeschrijver standpunt bekijk en dan ligt er in mijn optiek een breekpunt in de personage ontwikkeling van de verhalen. Niet noodzakelijk dat Tom Thys geen tijd aan personages spendeert, dat doet hij wel, zij het summier, maar meer dat hij de gevolgtrekking van de personages niet volledig in de verhalen meeneemt. Zoals in het bovenstaande verhaal “Club Bizarre” (die overigens één van mijn favoriete verhalen is, omdat het me aan de vroege werken van Clive Barker deed denken) die dus over BDSM gaat, maar dan een gruwelijke vorm van BDSM. Het woord “afwijkend” en “pervers” spelen een belangrijke rol. Als het verhaal namelijk vanuit de perceptie van de personage is geschreven die zijn seksualiteit omhelst en accepteert zou hij het noch afwijkend of pervers noemen, voor hem is het dan de normaalste zaak; een verlenging van zichzelf. De vraag rijst: wiens stem horen we hier? Van de personage of de auteur? En dit bedoel ik met gevolgtrekking van de personages; het hoort hun beleveniswereld te zijn en hierdoor, door deze discrepanties, raakt de narratief verstoord. In dit verhaal is daar nog makkelijk over heen te stappen, omdat het zo goed geschreven is, het wordt echter prangender in verhalen als “Canavans laatste uitvinding” of “Het huis Knottnerus”.

 

In het eerste verhaal omdat het over een hulpverlener gaat die hulp aan een oude man biedt, maar als je het verhaal begint te lezen, en de personage begint te doorgronden, vraag je je op een gegeven moment af waarom de hoofdpersonage voor deze baan heeft gekozen. Hij schijnt het niet erg met de oude man van doen te hebben en schijnt ook niet hulp gericht te zijn. Dit kan, als het maar in het verhaal duidelijk wordt waarom. En dat laatste, omdat het verhaal meer onderwerp dan persoon gericht is, blijft de lezer in het ongewisse en mist het verhaal de diepgang die het met een extra alinea hier en daar verdient. De oude man had hem bijvoorbeeld aan zijn vader kunnen doen denken; wat het verhaal onmiddellijk een nieuwe laag had gegeven.

 

In het verhaal “Het huis Knottnerus” (geen Nederlandse achternaam overigens, maar ik voel hier een steek van Vlaamse humor naar Nederland), krijgen we te maken met godsdienstwaanzin. Op zodanige manier dat ik eerst dacht dat het verhaal drie eeuwen geleden afspeelde en ik het al vreemd vond dat er over “Nederland” werd gesproken en niet “De Republiek der Nederlanden” of “Der Zeven Provinciën”.  Totdat de hoofdpersonage plotseling benzine tevoorschijn haalt. Hoewel je door het verhaal wordt meegenomen, blijft op een gegeven moment de vraag komen: wat heeft deze man zo gemaakt? Dit is de Twintigste Eeuw en deze persoon houdt er wel – zelfs voor het katholicisme – zeer ouderwetse religieuze ideeën op na. Er is conservatief en conservatief, maar deze personage schijnt een tijd reis te hebben genomen terug naar de inquisitie. En juist door hier geen achtergrondverhaal aan te geven, de motieven van de personage te verduidelijken, zorgt er dus voor dat je nooit geheel in de hoofd van de personage kruipt. Het verhaal wordt niet zijn stem. Het blijft een aaneenschakeling van observaties en handelingen, hoewel het einde dan weer veel goed maakt.

 

Is dit erg: “ja” en “nee”. Ja, omdat het begrijpen van personages, vooral als deze buiten de marges vallen, van noodzakelijk belang is. Nee, omdat het precies past in de stroming waar Tom Thys in schrijft. Je wordt, door het onderwerp centraal te stellen, geconfronteerd met je eigen concepties en als dit het doel was, dan is Tom Thys op een Lovercraftiaanse manier met vlag en vaandel geslaagd.

 

Nu ben ik altijd voorzichtig met het geven van recensies van collegae. Omdat ik vind dat je a) de verplichting hebt om alles goed te onderbouwen, maar ook b) alles in de juiste context dient te plaatsen. Een recensent, zo schijnt de tendens soms te zijn, moet “fouten vinden”. Hoewel dit in mijn optiek niet zo hoeft te zijn. Soms kan een recensie ook informatief zijn i.p.v. kritisch. Of reflectief. Recensies en kritiek hoeven geen synoniemen van elkaar te zijn. En het is precies hier waar een recensie eindigt en een opinie stuk begint.

 

Zeg ik hierbij dat iedere kritische noten daarbij overbodig zijn? Nee. Ik stel alleen vast dat ook recensies begrensd zijn. Dat ze bijvoorbeeld niet de grenzen kunnen weergeven wat bij jou je hartslag doet kloppen en mij misschien niet raakt; vooral bij verhalenbundels. En hierachter ligt misschien wel een grotere observatie die naar de kern van iets groters en anders gaat; vooral in een samenleving waar het geven van kritiek, of het nu facebook, twitter of onder een krantenartikel is, vaak ongecensureerd en niet gemotiveerd de boventoon voert. Namelijk dat we soms in de illusie leven dat een stem onder miljoenen er werkelijk iets toe doet.

 

En ik ken de argumenten, vooral nu, nu dit genre probeert open te breken en meer bekendheid probeert te krijgen en er alles aan doet om een gelijkwaardige stroming in de Vlaamse- en Nederlandse literatuur te worden. Een doelstelling die ik overigens ten harte onderstreep. Het is het aloude en algemene argument dat kritiek het genre doet verbeteren, het genre doet groeien, maar dit kan in mijn optiek alleen als recensies ook daadwerkelijk onderbouwde recensies zijn of in de context van het genre en de stromingen daarin worden geplaatst. Als dit niet zo is, kan een recensie namelijk ook een ander doel dienen. Soms zelfs een politiek doel. (En dan bedoel ik de politiek tussen schrijvers.) Die lijnrecht tegen het groeien van een genre ingaan. Dan neigt een recensie naar formulematig denken, het routeren van conventies, het geloven dat a, b en c de enige juiste manieren zijn van schrijven. En op dat moment doet een recensie precies hetgeen wat het niet beoogt te doen; kunst van zuurstof ontnemen, nieuwe paden blokkeren, waardoor het genre zichzelf niet overstijgt.

 

De mening van één, wordt plotseling de mening van velen en deze wordt plotseling heilig verklaard.

 

En dat wil ik hier niet doen. Tom Thys heeft een specifieke benadering, schrijft in een andere stroming, een andere stijl, die opzettelijk met conventies en onze denkbeelden speelt. Hij beschikt over een fantastische en tevens gruwelijke verbeelding, waardoor de beperkingen die ik zie er feitelijk niet toe doen. Hij is minder personage gedreven en ik zou bijna willen zeggen so what? Dat maakt het genre juist levendig; dat er geen één pad, maar meerdere paden bestaan.

 

Ontkracht ik hierbij mijn eigen kritiek? Misschien. Maar misschien is dat ook nodig.

 

Deze bundel, zoals iedere andere bundel, heeft zijn krachtpunten en zijn tekortkomingen, en bundels zijn misschien het moeilijkst te recenseren (en misschien ook wel het moeilijkst te schrijven), omdat het geen één spanningsboog betreft, maar negentien spanningsbogen. Niet één personage, maar negentien personages. Niet één plot, maar negentien plots en het is onmogelijk dat alles je zal bekoren. Toch was ik geraakt door dit boek. Vooral de verhalen “Tunnel des doods”, “Droomloos” en “Club Bizarre” raakte me op een vreemde manier. Op een zodanige manier zelfs, dat ik bijna het gevoel had, dat als ik mijn ogen sloot, de geschreven woorden echt werden.

 

Tom Thys is een schrijver die zijn vak verstaat, die een specifieke stroming tot in de puntjes beheerst, een schrijver waarvan de schrijfsels het tot een type vorm van horror behoren die velen zullen aanspreken en bekoren. Het is niet altijd mijn soort horror. Maar ik leef dan ook niet in de illusie dat mijn soort horror heilig is of dat mijn stem onder miljoenen wordt verstaan.

 

Dus subjectief gezien, ja, ik had misschien hier en daar wat meer achtergrond (backstory) gewild. Ja, misschien had ik soms wat meer diepe in plaats van vlakke personages gehad en ja, soms, heel soms, hadden de motieven en thema’s in mijn gevoel wat dieper uitgewerkt kunnen worden. Maar dit zijn slechts kanttekeningen en subjectieve waarnemingen, waarbij ik iets ga onderbouwen wat niet bij deze stroming past.

 

Aan het einde van de rit, na alle “maar’s” en “komma’s”, blijft het gewoonweg een goed boek. Een eng boek. Een boek die je naar tunnels, zwarte stenen, mutanten, ouderschap en verval meeneemt. Een boek dat als je van horror houdt simpelweg gelezen dient te hebben en in je boekenkast dient te staan. Een boek die iedere fan van Lovecraft of Gaiman zou toejuichen.

 

Waarom? Omdat volmaakte schoonheid simpelweg niet bestaat. Omdat we de waarneming van de observant en de geobserveerde van elkaar dienen te scheiden. Maar vooral omdat het volmaakt monsterlijke misschien in de kern volmaakte schoonheid is.

 

Anthonie Holslag

 

 

 

 

Het boek is hier te bestellen.

 

 

 

 

 

Naast Vitalogy is No Code voor mij de album die alles heeft doen veranderen. Ik kocht het in dezelfde winkel waar ik Vitalogy kocht en hoe ontluisterend en vreemd ik Vitalogy in het begin vond, pretentieus bijna, zo ontwrichtend en hoekig kwam No Code bij me over. Waar Vitalogy, in al zijn experimentatie nog samenvloeide, leek dit een album waar de liedjes op een merkwaardige manier niet op elkaar aansloten en soms tegenovergesteld van elkaar waren: waar een akoestische ballade, a la Neil Young stijl, gevolgd werd door een scherpe en vierkante metal punk nummer. Ik zag geen orde. Geen regelmaat. Niet het ritme van een hartslag. Voor mij had No Code inderdaad geen "code", totdat ik de pulserende pols hoorde, ergens in de diepte, die alles met elkaar verbond.

 

Context van de plaat

No Code is de vierde Pearl Jam plaat en kwam in 1996 uit, twee jaar na Vitalogy, tijdens een zeer turbulente periode in de band bestaan. Later zouden we de verhalen horen hoe de band met elkaar worstelde, hoe Mike McCready, de hoofdgitarist van de band zich afvroeg of er nog een band was en dat de zanger, Eddie Vedder, na een angstige confrontatie met een stalker (later uitgebeeld in het nummer Lukin dat op de plaat zou komen), zich langzaam van de band begon af te zonderen. Dit was na hun gevecht met Ticketmaster, die een monopolie op concert kaarten hield, een juridische strijd dat zelfs eindigde in de Federale Departement van Justitie (één van de hoogste juridische organen in het Amerikaanse juridische systeem) en waar Pearl Jam verloor. Ze besloten toen, tijdens en na Vitalogy, een onsuccesvolle “geen Ticketmaster” tour te organiseren, die de band naar vergelegen en onherbergzame gebieden bracht en daarmee de monopolie – waar het allemaal omdraaide – van Ticketmaster bevestigde.

 

Dit was voor Pearl Jam geen makkelijke periode en het album is dan ook zonder veel publiciteit – geen videoclips, een kleine tour, geen interviews, een moeilijk toegankelijke single – op de markt gebracht. No Code, nog meer dan andere platen, laat de interne worsteling van de band zien en de vereenzaming die inmiddels had plaats gevonden. Grunge had niet de belofte van de muzikale revolutie waar kunnen maken. En het is deze ontgoocheling, soms zelfs soberheid, die de plaat kenmerkt.

 

Toch is er een verschil met Vitalogy, hoewel deze twee platen door fans vaak in één adem worden genoemd. Waar Vitalogy, zoals ik laatst beargumenteerde, over conformisme en non-conformisme ging, een strijd die als het ware naar buiten gericht was, is No Code in hoge mate introspectief; een strijd dat naar binnen gericht is.

 

Ed Vedder zegt het misschien zelf het beste als hij tijdens een interview opmerkt, en ik parafraseer hier: “Als alles wegvalt, als je tegen alles gevochten hebt en de problemen blijven, dan is het belangrijk om kritisch naar jezelf te kijken.” Met de daarop volgende sarcastische opmerking: “Alles is Stone zijn schuld.” (NB: Stone Gossard is de ritme gitarist van de band en één van de oprichters.)

 

En dat is precies wat de band op deze plaat doet: naar binnen kijken.

 

Je merkt op deze plaat, nog meer dan op andere platen hiervoor, dat dit een band is die (weer) geheel op zichzelf was aangewezen en alles, letterlijk alles, onder de loep nam; hun anti-commerciële houding, de strijd die ze jarenlang met de media en hun platenbazen hadden geleverd, de interne fricties die dit teweeg had gebracht etc. Niets was veilig of ontzeggend.

 

Pearl Jam bungelde over een afgrond en No Code gaf dit weer. Een saillant detail daarbij is dat het woord “No Code” vaak wordt gebruikt, onder medici, bij hartstilstand, om aan te geven dat defibrilleren, geen zin meer heeft. Dat er als het ware “geen hartslag meer is”. Dat Pearl Jam juist deze metafoor heeft gekozen zegt alles over de periode waarin de band zich bevond.

 

Hier zien we tegelijkertijd, zij het indirect, ook een connectie met Vitalogy. Namelijk de strijd die maar niet ophoudt. Maar nog meer dan dat; deze plaat is de volgende duistere stap waar de vorige plaat eindigde; de zelfgekozen pad van destructie. Toch geeft de album een glimp van hoop. Hoop dat overblijft als alles ontrafeld, hoop dat tevoorschijn komt als alles wegvalt, als er niets meer dan naaktheid overblijft. En het is deze wisseling tussen licht en duisternis die de pols van de plaat vormt.

 

De artwork

Deze strijd, deze fragmentatie, zien we ook terugkomen in de artwork van het album. De voorkant en achterkant bestaan uit 144 polaroid foto’s die door een zekere Jerome Turner, een pseudoniem van Eddie Vedder, zijn genomen. We zien van alles op deze foto’s. De oogbal van Dennis Rodman. Bloed (of is het braaksel?) in een gootsteen. Een close-up van een stuk vlees. Een navel. De voet van Eddie Vedder nadat hij door een pijlstaartrog was gebeten etc. Er lijkt geen enkele verband tussen de foto’s te bestaan. Net zoals er geen verband tussen de muziek lijkt te bestaan. Het is een wervelstorm van chaos, totdat we de plaat openen, de onderstroom horen en plotseling, onder alle lagen en bouwwerken van invallende huizen in, een rode draad herkennen. Het is in de chaos waarin we onszelf leren kennen. Het is misschien wel na het uiteen vallen van alles, dat we onze ware “ik” zien. Een onderstroom en rode draad overigens die, als je de plaat opent en de foto’s bestudeert, je in je gezicht schreeuwt. Maar daarover straks meer. Laten we eerst de nummers één voor één analyseren, voordat we de boodschap van de plaat als geheel bestuderen.


 

 

 

 

Een track-tot-track analyse

Als iets de band in deze periode bij elkaar heeft gehouden, is het Jack Irons geweest, de nieuwe drummer van Pearl Jam, die jammer genoeg door bipolaire klachten na twee platen de band moest verlaten. Volgens velen – en dit is tot aan vandaag de dag een fel oplaaiende discussie onder fans – misschien wel de beste drummer die de band heeft gekend, met name omdat hij van de geijkte paden afweek en daardoor bij de bijna experimentele klank van Pearl Jam paste. Jack Irons is geen strakke drummer. Hij is een drummer die het drumstel bijna als een pallet gebruikte en een soort tribale ritme teweeg bracht die No Code kenmerkt. Jack Irons was ook om een andere redenen belangrijk. In de vele interviews die later zijn gegeven door diverse bandleden, wordt het duidelijk dat Jack Irons, misschien omdat hij ouder was, de band door de turbulente fase heen kon brengen en misschien wel de vader figuur was, die de band op dat moment nodig had. Vergeet daarbij ook niet dat No Code, na Merkinball (een single met twee nummers: "I Got Id" en "Long Road") en Mirrorball die in 1995 uitkwamen, verscheen. Deze twee albums waren een collaboratie met Neil Young, waarbij Scott Gossard en Jeff Ament later zouden zeggen dat het een belangrijke ervaring zou zijn, omdat het de leden weer de kracht en zelfvertrouwen gaf om ook zonder Eddie Vedder bij te kunnen dragen. Jack Irons vormde, zo is mijn vermoeden en ook slechts mijn persoonlijke waarneming, de surrogaat muzikale vader die de band op dat moment nodig had.

 


De tribale ritme, het zoekende ritme bijna,  paste bij de zelf analyse waar de band op dat moment doorheen ging. Het paste bij de chaos. En volgens sommige bandleden, waaronder Jeff Ament, die tijdens de sessies van No Code zelfs boos wegliep, was het Jack Irons geweest die de band weer bij elkaar bracht. Dit is belangrijk, want deze interne strijd is voelbaar. Sterker nog, het is kenmerkend. Waar Vitalogy, Vs. en Ten nog naar buiten waren gericht is No Code een persoonlijke en intieme plaat geworden die een interne worsteling laat zien.

 

Voordat ik verder ga echter, een kleine waarschuwing. De officiële teksten zijn nooit vrijgegeven. En de teksten die zijn vrijgegeven, op aparte kaarten die in de de album gesloten waren, waren niet altijd volledig of correct. Volgens Eddie Vedder opzettelijk om de luisteraar zijn/haar eigen interpretatie aan nummers te geven. Omdat Eddie Vedder bekend staat om het geven van informatie, maar ook desinformatie (zie ook mijn blog over Vitalogy), weet ik niet of dit de echte reden is. Het kan ook zo zijn dat de teksten kortweg te dichtbij en te persoonlijk waren, hoewel Ed Vedder zou zeggen dat het de meest onpersoonlijke plaat was ooit. (Een opzettelijke tegenstelling misschien?) Dit zijn in ieder geval mijn interpretaties die ik uit de tekst heb weten te ontwaren. Niet alle fans zullen het met de weergegeven teksten eens zijn.

 

De confrontatie met het “zelf” begint al bij het eerste nummer:

 

Sometimes
Waar de vorige platen van Pearl Jam begonnen met een punker, begint No Code met – hoe kan het ook anders – dissonantie. We horen een simpele ritme gespeeld op een gitaar, gevolgd door dwarrelende piano en gitaarklanken en daarop volgend een bas en drum. (De bas is in dit nummer van cruciaal belang; het vormt de onderlaag van de compositie en strijd bijna met de gitaren.) De melodie is zacht en opzwepend, lijkt bijna betekenisloos, argwanend, alsof het niet op gang wil komen, alsof het moeite heeft de losse klanken aan elkaar te verbinden, totdat de stem van Eddie Vedder alles aan elkaar knoopt en de melodie van het nummer een kant opduwt:


"Large fingers pushing paint
You’re God and you got big Hands
Colours blend, the challenges you give me… (and/man)"


 

Het nummer word niet gekenmerkt door een typische verse, refrein, verse, refrein, wat onmiddellijk een ontwrichtend gevoel met zich meebrengt, die in retroperspectief, de hele album zal achtervolgen. Na deze woorden neemt de octaaf, maar ook de volume van de muziek toe.

 



"Seek my part, devote myself
My small self, like a book amongst the many on the shelf"


 

En dan het enkele refrein dat ons weer terugbrengt naar de melodie en het introspectieve karakter van het album en let hierbij op de stilte na “sometimes I reach to myself” die de breekbaarheid en kwetsbaarheid weergeeft:

 

sometimes I know
sometimes I rise
sometimes I fall
sometimes I don't
sometimes I cringe
sometimes I live
sometimes I walk
sometimes I kneel
sometimes I speak of nothing at all
sometimes I reach to myself
Dear, God

 

En dan neemt de dissonantie in de muziek het weer over, waarbij de bas als een hoofdrolspeler het nummer verder meevoert. Wat opvallend is aan deze teksten is dat Eddie Vedder diverse malen heeft geuit dat hij een atheïst is. Toch zien we in deze teksten een zoektocht, een interne zoektocht, een spirituele zoektocht bijna, naar de oorzaak van een worsteling en waar deze strijd vandaan komt.

 

Hier verschilt No Code met Vitalogy. Waar Vitalogy een album was over het gevecht tegen de structuur, de samenleving, probeert deze plaat de achterliggende demonen en drijfveren te begrijpen. Iets wat in waarde toeneemt als we de context – het gevecht met Ticketmaster, de strijd binnen de band – in ogenschouw nemen.

 

God is in dit opzicht misschien niet de omineuze wezen die velen ons voorstellen, maar de interne en spirituele God in onszelf, ons onderbewuste, die in ons gedrag leidt.

 

En hier komen, terwijl de dwarrelende tonen wegvallen, we tot de eerste hoekige explosie van de plaat. Terwijl de zwevende tonen van Sometimes nog wegebben, beukt het volgende nummer – als een muur dat op je afkomt – er onmiddellijk in. Hail Hail is letterlijk een muur van gitaren en muziek.

 

 

 

 

 

 

Hail Hail

Tekstueel, hoewel er een aantal juweeltjes op de plaat staan, een van de hoogtepunten. De muziek is inderdaad een impenetrabele muur die de losse klanken van Sometimes doen wegvagen. Alles is anders, er dringt ons plotseling een bijna houterige en hoekige harmonie op. Een punker die je na het dwarrelende begin plotseling alle hoeken van de kamer laat zien. De teksten liegen er ook niet om. Het gaat hier om woede. Om desillusie. Om de ontnuchtering die langzaam in een langdurige relatie sluipt. Ook hier zien we een zoektocht, maar een pijnlijke zoektocht die een zenuw probeert bloot te leggen. Net zoals in Vitalogy loopt de thematiek van strijd, dit keer intern en in zichzelf gekeerd, door diverse thema’s, zoals relaties, heen. Dit lied staat in het teken van een relatie, maar dan een relatie waarin de betekenis of het startpunt inmiddels op de achtergrond is geraakt of verdwenen/ onzichtbaar is. Hail hail to the lucky ones. Voor ieder die in een (langdurig) relatie zit, niet een onbekend thema. Het komt echter zelden voor dat een artiest zich tekstueel zo kwetsbaar en tegelijkertijd naakt en eerlijk opstelt, wat kunst uiteraard dient te doen:

 

"Ah, is there room for both of us?
Both of us apart?
Are we bound out of an obligation; is that all we got?
I hear the words (urge), and I gotta to thinking
I don’t want to think, I want to feel
How do I feel?
How do I…"

 

Waar het vorige nummer nog over introspectie gaat, gaat dit nummer, beukend met zijn gitaren en ritme, over een relatie die op heel veel vlakken geen relatie meer is. De protagonist zingt dan ook:

 

"If you’re the only one
will i never be enough then?
hail hail the lucky ones
I refer to those in love yeah"


 

 

De desintegratie van de relatie gaat vervolgens verder:

 

"Swore i'd love you till the day i die
ah, and beyond
are we going to the same place?
if so, can I come?
"

 

En dan mijn favoriete regels:

"It's egg rolling thick and heavy
with all the past we carry
ah I could be new
you underestimate me
"



De strijd, de tegenstrijdigheden in een relatie en dan, na de refrein, weer een moment van introspectie, juist op het moment dat de melodie ontrafelt:

 

"I sometimes realize
I could only be as good as you'll let me
are you woman enough to be my man?
bandaged hand in hand…"


 

Geen goed eind in Pearl Jam-land echter. Dit is geen introspectie die tot verlossing, maar misschien meer tot overgave leidt. Overgave aan de worsteling:

 

"Like winding on a run
in a race that can't be won
all hell the lucky ones
I refer to those in love
if you're my only one?
So could you only want?
I want to be your one
Enough, you won
You won"

 

En dan toch in de laatste zin een sublieme vorm van verzet:

 

"Your one, yeah"

 

En het nummer is nog niet bekomen. De gitaren zijn nog niet opgehouden, als alles plotseling, de beukende muur, de ingehouden woede, loslaat, verdwijnt, in een rollende en alles-absorberende ritme. Een tribale ritme die alleen Jack Irons op deze manier kan spelen.

 

Who You Are

Als er sleutelnummers zijn op dit album, is dit er één van. De drum voelt hier als dwarrelende losse bladeren. De muziek zweeft. Ergens is er een echo, een piano. Een los pingelende gitaar, totdat alles plotseling samenkomt in een melodie.

 

"Come to send, not condescend
Transcedental consequence, is to transcend where we are
Who are we, but who we are"


 

Waar de voorgaande nummers over een zoektocht gingen, gaat deze nummer meer over een berusting. Ook een thema die een aantal keer op dit album zal terugkomen, en de algehele thema zal gaan worden, voor de volgende plaat.

 

Wat dit nummer echter zo apart maakt, naast het feit dat de teksten cryptisch blijven alsof de zoektocht nog niet geheel is afgerond, is dat de melodie ontastbaar blijft. Het blijven dwarrelende noten die alleen door de drum, niet eens door de tekst of de vocale melodie, bij elkaar wordt gehouden. Dat Pearl Jam besloot dit ook als eerste single te gebruiken, kan worden gezien als en statement van non-commercie. Hiermee wilde ze aantonen a) waar deze album over ging, maar b) ook dat de muziek voorop staat. Van alle singles die ooit door een band zijn uitgebracht als eerste single, is dit de meest ongewone en niet commerciële single ooit; wat misschien op een indirecte wijze hun strijd met hun label maar ook met Ticketmaster bevestigde en weergaf. En hun reputatie als een integere band bevestigde.

 

Het is een niet toegankelijke nummer, maar wel één met een pure en mooie boodschap. Het zou een pagina, misschien twee pagina’s kosten om de cryptische teksten uiteen te zetten en te analyseren. Het zou me nog een extra pagina kosten om weer te geven wat dit nummer persoonlijk voor mij betekent. Ik kan alleen stellen dat het gaat over hervinden van jezelf, misschien wel het herdefiniëren van jezelf, maar bovenal het accepteren van jezelf. Hier in dit nummer houdt de strijd even op. Wat ik persoonlijk kan zeggen is dat ik dit nummer zong, langzamer, als een slaapliedje, aan mijn zoontje, toen hij net was geboren en ik heel even in de kamer met hem alleen was. Diep van binnen hoop ik en hoopte ik, dat hij het boodschap van dit nummer met zich meeneemt en dat het zijn leven zal tekenen. Mij leven tekent het niet. Ik heb altijd met mezelf gevochten. Ik hoop dat zijn er één wordt van vrede met jezelf. Vrede met wie je bent en wat je rol in het leven is.

 

De mooiste regels voor mij zijn:

 

"Can't defend the command
We are who, who we are
"

 

 

 

 

 

In my Tree

Net als de dwarrelde en tribale ritme verdwijnt, wordt deze overgenomen door een rollende drum die iedere drumliefhebber zal overweldigen. Ook hier neemt de drum een centrale plaats in en als ik een kritiek op deze plaat heb, dan is het wel dat deze twee nummers elkaar opvolgen. Hierdoor wordt de boodschap van dit nummer en ook het vorige nummer bijna ondergesneeuwd, wat jammer is, want de boodschap van beide nummers zijn prachtig. Dit beschouw ik als de tweede sleutelnummer op het album. Hier is de strijd weer terug, maar net zoals de vorige nummers is de strijd intern en komen we, vooral als we het vergelijken met een andere nummer op het album (“Red Mosquito”) wel tot de kern van deze strijd, die – als ik de tekst goed analyseer – want het blijft cryptisch en op de achtergrond, heel veel over Eddie Vedder en zijn trauma’s zegt.

 

Het nummer verwijst naar de boom der wijsheid en hier opnieuw zien we een christelijke connotatie in de teksten verschijnen. In het nummer klimt de protagonist, ik stel het als een jongen voor, in de boom en probeert zichzelf en de wereld om zich heen te begrijpen. Dit wordt uitgebeeld in de volgende verse, die tevens ook de eenzaamheid van deze zoektocht uitbeeldt. Het is een interne en spirituele zoektocht die je zelf en alleen dient te ervaren:

 

"I wave to all my friends, yeah
They don't seem to notice me, no
All their eyes are strained on the street
sidewalks, cigarettes and scenes

Up here so high I start to shake
Up here so high the sky I scrape"


 

En het mooiste is, terwijl hij dit zingt, klinkt zijn stem ver weg, ergens boven de muziek, in de lucht.

 

De conclusie is hetzelfde als in het voorgaande nummer. Het gaat om het hervinden van jezelf. Het hervinden van je kern en hier komen we ook volgens mij ook bij de jeugdtrauma’s van Eddie Vedder uit. (En die ieder die een soortgelijk jeugd heeft gehad ongetwijfeld zal herkennen.) Het is om deze redenen dat ik ook denk dat dit nummer met Red Mosquito is verbonden. Dat Eddie Vedder zijn jeugdtrauma’s in zijn muziek probeert te verwerken, is niet nieuw. Hun eerste en beroemdste single “Alive” gaat precies over deze jeugdtrauma’s. Maar er is meer. Jeff, Stone en Mike hebben allen in diverse interviews geuit dat Eddie Vedder het bijna nooit over zijn jeugd heeft. Dat het in mysteries is gehuld, maar dat Eddie Vedder wel trauma’s met zich meedraagt. In mijn optiek, en dit is slechts mijn interpretatie, toont hij zijn trauma’s zonder weergave en terughoudend op dit album. Het is alleen cryptisch en verbloemd. Maar nogmaals, iedereen die goed luistert en die het kent, zal het herkennen. De laatste zinnen zijn in mijn optiek dan ook doorslaggevend. In de christelijke connotatie van het nummer staat “onschuld” voor iets, net zoals de boom in tuin van Eden volgens Freud voor seksualiteit staat. Eddie Vedder zingt namelijk in zijn conclusie:

 

"Up here so high the boughs they break
up here so high the sky I scrape
had my eyes peeled both wide open, and I got a glimpse
of my innocence... got back my innocence/ inner sense...
still got it, still got it"


 

Smile
Volgens de geruchten molen zijn de teksten tot stand gekomen door een notitie die Dennis Flemion van The Frogs stiekem tijdens een concert in het notitieblok dat Eddie Vedder altijd bij zich heeft, heeft geplaatst. De teksten zijn dan ook simpel en herhalen slechts de woorden die op het notitieblok staan. Dat deze teksten overigens geschreven zijn door Dennis Flemion is later, in 2014, tijdens een concert in Amsterdam door Eddie Vedder bevestigd. Dit was na de dood van Dennis Flemion in 2012. Ik heb jammer genoeg nooit iets van The Frogs gehoord, maar hun muziek scheen voornamelijk psychedelisch en komisch te zijn; wat enigszins past (vooral het psychedelische) bij deze plaat. De teksten zijn:

"Don't it make you smile?
don't it make you smile?
when the sun don't shine? ( don’t shine at all)
don’t it make you smile
I miss you already
I miss you always"

 

Met de voetnoot:

 

"this is how I feel..."

 

Op de originele notitie zou Dennis Flemion na deze zin te hebben geschreven: “Now I Wanna Be Dead”. Een bittere ironie, gezien zijn dood in 2012. Muzikaal doet dit nummer me heel sterk aan Neil Young denken. Het is een simpele rocker, maar dan wel een nummer die de jeuk, die rockmuziek vaak veroorzaakt, weet weg te krabben. Het is ook een mooie onderbreking van de serieuze nummers hiervoor en de serieuze nummers die gaan volgen.

 

 

 

 

 

Off He Goes

Volgens interviews van Ed Vedder gaat dit nummer over hem en wat voor klootzak als vriend hij eigenlijk is. In deze zin past het bij de interne zoektocht die in deze plaat centraal staat. Maar zoals ik al bij mijn recensie van Vitolagy schreef, hecht ik weinig waarde aan de woorden van Eddie Vedder, met name omdat hij erom bekend staat zijn fans op het verkeerde been te zetten. Misschien past het wel bij de verbloeming van de “inner-self” die ik in het voorgaande nummer heb beschreven. In mijn optiek gaat dit nummer meer over Jack Irons die al sinds 1988 gediagnosticeerd is met bipolaire stoornis. (Die hij in latere interviews zal vertalen als “anxiety disorder”). Ook de reden waarom Jack Irons uiteindelijk, na hun volgende plaat, uit de band zal stappen. Hij kon het touren niet langer aan, met name omdat Pearl Jam, vooral live, een enorme arbeidsethos erop nahoudt. Soms spelen ze 2 uur en een kwartier, soms zelfs drie uur. Een Pearl Jam concert doet in ieder geval nooit korter dan 2 uur. (Behalve in Nijmegen in 2012 waar de band door de festival beheerders werd gedwongen om hun concert eerder af te ronden, met zichtbare ergernis van Eddie Vedder.)

 

Het nummer vertelt het verhaal van een vriend die geen rust kan vinden en waarvan de onrust ervoor zorgt dat hij steeds weg gaat. Het wordt het best omschreven in de volgende teksten, als de vriend na weer een periode van "verdwijnen" terugkeert:

 

"And now he's home
and we're laughing like we always did
my same old, same old friend
until a quarter-to-ten
I saw the strain creep in
he seems distracted and i know just what is gonna happen next
before his first step
he's off again"

 

Iedereen die met bipolariteit, als een buitenstaander te maken heeft, zal deze passage herkennen. Vooral als de persoon aan bipolariteit 2 of aan cyclothymia lijdt. Het is de interne onrust, en hier zien we weer de thema van het album, die het gedrag van de vriend stuurt. De onrust is intern, komt niet van buitenaf, en de vriend – de protagonist in het liedje – bekijkt alles van een afstand. Zowel de ups, als de downs, als het verdwijnen.

 

Muzikaal doet dit nummer me ook aan Neil Young denken. En misschien heeft dit te maken met de invloed die Neil Young met Mirrorball en Merkinball (die in 1995 zijn uitgegeven) op de band heeft gehad. Het nummer is akoestisch en uiterst breekbaar gezongen. Zo breekbaar zelfs dat het zo nu en dan de grens van valsheid opzoekt – zoals Neil Young ook vaak heeft gedaan.

 

Nu, als je No Code op je platenspeler hebt, is het tijd om de plaat om te draaien en de tweede kant te beluisteren. Als je No Code op CD hebt, sterft het nummer langzaam weg en word je plotseling geconfronteerd met ongepolijste gitaren en een ritme dat eerder aan metal dan aan punk doet denken. Van alle nummers die Pearl Jam ooit heeft gemaakt, grenst dit nummer (misschien tezamen met “Mind Your Manners” die ik later zal bespreken) tegen trash metal aan; een muziekstroming die vooral voor de hoofdgitarist, Mike McReady, belangrijk is. Hij wordt vaak gezien met T-shirts van Iron Maiden, Slayer en Megadeth. Hij is ook degene met de grootste drugsprobleem (in zover we weten tenminste) binnen de band. Het is dan misschien ook niet toevallig dat dit trash/ metal nummer over drugs gaat. We zijn weer terug bij de thema van het album: innerlijke strijd.

 

 

Habit

Dit nummer gaat over drugs, opnieuw vanuit de perspectief van een vriend die iemand anders ziet lijden. Het nummer kan echter ook geïnterpreteerd worden als iemand die tegen zichzelf schreeuwt en zichzelf wakker probeert te schudden:

 

"I’ve seen it happen to a couple of friends
I’ve seen it happen and the message it sends
taken off for what's an obvious fall
just to see what all the fuss is about
And it's not your way, not your way
And it's not your way

Another habit says it's in love with you
another habit says it’s long overdue
Another habit like an unwanted friend
I'm so happy with my righteous self
And it's not your way, not your way
It's not your way

I never thought you'd habit
I never thought you habit"


 

En dan op het moment als de muziek uit elkaar knalt, de losse noten naar beneden dwarrelen, komt er een referentie naar Mike Watt’s nummer “Against the seventies”, waar Mike Watt zingt “Speaking as a child of the seventies” en waar Eddie Vedder nu zingt: “Speaking as a child of the nineties”. Wat natuurlijke een controversiële statement is en misschien ook wel iets zegt over de desillusie van grunge waar Pearl Jam, samen met Nirvana en Soundgarden (en vele andere bands) de dragers en boegbeelden van waren. Grunge zou de muziek scene veranderen, zou het minder commercieel maken. Grunge was het antwoord op de hairspray rock van de jaren tachtig (waar ik zoveel van hield) en die eigenlijk iedere mogelijke cliché over rock ’n roll bekrachtigde. Grunge zou het anders doen. Grunge zou een nieuwe richting opgaan. Het enige wat als een schaduw over grunge hing, en misschien ook wel zijn dood is geworden, is de vernieuwing van heroïne gebruik. Waar cocaïne in de jaren tachtig de drugs per uitstek was, werd dit heroïne in de jaren negentig. Men dacht zelfs dat heroïne, en ik herinner me deze artikelen heel erg goed, die zoveel levens heeft geëist in de jaren zestig en zeventig (“Against the seventies”) voor altijd uit de gratie was geraakt. Grunge nam het terug. Met natuurlijk de dood van Kurt Cobain als dieptepunt.

 

Dat wil niet zeggen dat Grunge niets heeft veranderd. Zonder grunge zouden bands als Nickelback niet kunnen bestaan. Maar de grote revolutie die grunge impliceerde, bleef uit. Sterker nog, het werd opgeslokt door de corporatieve muziekindustrie. En bands die door zakenlieden werden samengesteld, begonnen “grunge” te spelen. (Volgens sommigen zijn  Creed en Stone Temple Pilots zo een band, en ik weet niet of ik het met het laatste eens ben. In Amerika werd STP echter als een zwak aftreksel gezien van grunge. Het was pas in Nederland, toen ik terugkwam na jaren in de States te hebben gewoond, dat ik merkte dat STP hier groter was dan Pearl Jam. Probeer je mijn verbazing voor te stellen.)

 

In deze zin gaat dit nummer niet over drugs alleen, maar ook over de beloftes die niet zijn nagekomen. En ook hier staat introspectie weer centraal. Want waarom zijn de beloftes niet ingewilligd – drugs is slechts één, maar een doorslaggevende factor geweest.

 

Er is misschien daarom ook een andere referentie in dit nummer naar de jaren zestig en zeventig en dat is de afbouw van de nummer, die langzaam wegebt, maar vervolgens weer terug komt, met een gigantisch sterk gitaarsolo. (Vergelijk dit bijvoorbeeld met Helter Skelter van de Beatles met “I got blisters on my fingers”.)

 

De collectieve strijd is een individuele strijd geworden. Waar drugs een hoofdrol heeft. Het nummer eindigt dan ook met:

 

"never me, never you...
never me..."


Red Mosquito

In mijn optiek de derde sleutelnummer van het album. De gitaar is hier briljant, het bootst een mug na die blijft draaien, spelen, pesten en terugkomt. Aan de oppervlakte kan dit nummer over een mug gaan, was het niet door de teksten:

 

"Watched from the window, with a red mosquito
I was not allowed to leave the room
I saw the sun go down, and now it's coming up
somewhere in the time between…"


 

Vooral deze laatste zin blijft door mijn hoofd spoken, want wat gebeurt er tussen zonsondergang en zonsopgang? Wat heeft de protagonist zo getraumatiseerd en onbedoeld moet ik weer aan de protagonist van “In my Tree” denken; want ook hier betreft het een jongen/ kind. Ook hier wordt vanuit een perspectief van een kind (“I was not allowed to leave the room”) gezongen.

 

Wat we niet mogen vergeten, en wat cruciaal is, is dat het 1996 is. Dit is bijna 16 jaar (en iets meer) na de explosie van Aids, die mijn generatie en de generaties na mij, in hun seksuele beleving kenmerkt. Ik ontwaakte seksueel in een periode waar seks gevaarlijk en zelfs dodelijk was. (Geen sleutelfeestjes en flower power voor generatie X.) Bloed was daarin de sleutel. Het doorgeven van Aids via bloed was een reëel gevaar. Nogmaals, we kunnen dit lied letterlijk interpreteren, maar we kunnen ook de symboliek meenemen die in het lied verweven zit. De mug staat in dit geval voor het nemen van bloed, het doorgeven van bloed en krijgt daardoor een seksuele connotatie. Misschien ook de reden waarom de mug met de Duivel wordt vergeleken. (En hier zien we voor de derde keer op deze album, hoe religie een rol speelt.)

 

"I was bitten, must have been the devil
he was just paying me...
a little visit, reminding me of his presence
letting me know, he's a-waiting, he’s always awaiting up there"


 

Er gaat een dreiging uit van deze teksten. Een dreiging die de protagonist van het lied kenmerkt. Nogmaals, ik wil niet teveel speculeren. Mijn leed is niet iemand anders zijn leed. Maar deze album gaat over introspectie, over het zoeken naar oorzaken en dit nummer, gaat in mijn optiek over trauma en wat trauma met je doet.

 

Het is dan ook interessant dat na een time-change in het nummer, en zelfs na een hele melodie verandering, ook de tekst veranderd, waar zelf reflectie centraal komt te staan:

 

"If I had known then what i know now...
if I had known then what i know now...
if I had known..."

 

Er zit een verlorenheid in deze zinnen, maar ook iets van terugvinden of iets onder ogen zien; net zoals de onschuld van in “In my Tree”.

 

 

 

 

Lukin

De prachtige gitaarsolo van Mike McReady ebt nog niet weg (en het is één van de beste gitaarsolo’s die daadwerkelijk een mug nabootst) of we worden overvallen, een ander woord is er niet voor, met de kortste nummer in de Pearl Jam catalogus (1 minuut en 2 seconden) en tevens een stevige punker:

 

 

"Drive down the street can't find my keys to my own fucking home
I take a walk so I can curse my ass for being dumb
I make a right after the arches, stinking grease and bone
stop at the supermarket, people stare like I'm a dog"

 

Het nummer vewijst naar twee tegelijkertijdige dingen. En ook hier staat strijd centraal, hoewel deze – in vergelijking met voorgaande nummers – meer naar buiten gericht is.

 

Ten eerste verwijst het naar Matt Lukin, de bassist van The Melvins en Mudhoney, en vooral de laatste band wordt als de eerste “grunge” band beschouwd.

 

"I'm goin' to Lukin's...
I got a spot at Lukin's...
I knock the door at Lukin's...
open the fridge, now i know life is worth"


 

En dit brengt ons letterlijk tot de tweede verwijzing in het liedje, namelijk de serieuze stalker problemen die Eddie Vedder door zijn roem ondervond en zelfs heeft geleid dat de stalker met een auto zijn huis binnen probeerde te rijden. De woede in dit nummer is in de muziek en stem tastbaar.

 

"I find the key, but I return to find an open door
some fucking freak who claims I fathered, by rape, her own son
I find my wife, I call the cops, this day's work's never done
the last I heard the freak was purchasing a fucking gun"

 

 

En dan houdt de muziek op.

 

Met deze laatste verwijzing overigens wordt de strijd die eerst naar buiten gericht is, plotseling weer innerlijk. Het is door grunge, de idealisering van sterren en beroemdheden in onze samenleving, die tot deze praktijken leiden. De protagonist lijdt hieronder. Sterker nog, hij voelt zich onveilig. De echte stalker is opgepakt, toch eindigt dit nummer met een onbeduidende dreiging dat de stalker – omdat het probleem van idealisering niet geaddresseerd is – terug kan komen en dit keer met een “gun”.

 

Present Tense
De vierde sleutelnummer in het album dat eigenlijk dezelfde boodschap van “Who You Are” uitdraagt, maar tegelijkertijd een stap verder gaat.

 

"Do you see the way that tree bends?
does it inspire?
leaning out to catch the sun's rays
a lesson to be applied
are you getting something out of this all-encompassing tree?"


 

Het is interessant dat hier opnieuw de boom als een metafoor wordt gebruikt en dat deze hier ook opnieuw een eeuwenoude wijsheid heeft. De boom is immers "all-encompassing" en reikt naar de zon die hem voeding geeft.

 

"You can spend your time alone, redigesting past regrets
or you can come to terms and realize
you're the only one who can't forgive yourself, oh
makes much more sense to live in the present tense"


 

En hier komen we misschien wel tot de kern van de interne worstelingen. Ze kunnen voortkomen door gebeurtenissen die buiten onszelf staan, zoals het nummer “Lukin” hiervoor. Maar de ware worsteling komt voort uit diepere en persoonlijke processen en hoe we met deze externe gebeurtenissen omgaan. Als we onszelf niet kunnen vergeven, onszelf niet in de ogen kunnen kijken, zal de interne strijd, en de angst die dat met zich meebrengt, blijven bestaan. Het draait dus uiteindelijk om vergeving. (En hier opnieuw zien we een christelijke connotatie.) Niet het vergeven van anderen, maar in hoge mate de vergeving van jezelf; alleen dat kan je in de tegenwoordige tijd leven.

 

Alle motieven, symbolen die in de voorgaande nummers zijn geschetst, komen in dit nummer samen en geeft tegelijkertijd een gevoel van rust, net zoals “Who you are”, een gevoel van acceptatie en de hoop dat deze acceptatie geeft. De worsteling ligt niet buiten ons, maar in ons en als we dit inzien, zo lijkt dit nummer te zeggen, dan kunnen we het ook loslaten.

 

Dit is een opvallende conclusie voor een band die drie albums lang de strijd met de buitenwereld aanging. Eerst in Ten, waar opvoeding centraal stond. Dan in Vs., waar de strijd zelf centraal staat en vervolgens met Vitalogy, waar opgelegde normen en waarden onder de loep worden genomen.

 

In vele opzichten is deze plaat dan ook een antwoord op Vitalogy, waar het antwoord niet buiten ons wordt gezocht, maar in ons wordt gezocht en hoe we problemen hanteren.

 

 

 

 

Mankind

Dit wordt verder uitgewerkt in het nummer “Mankind” gezongen door Stone Gossard in plaats van Eddie Vedder. Het schetst een wereld waarin leegheid centraal staat. Waar gezien worden centraler is dan daadwerkelijk met mensen zijn. (Denk er aan dat dit lied is geschreven voor Facebook, voor de totale stortvloed op internet en het boek “De cirkel” van Eggers. Als je dit boek naast dit lied zou leggen, zou het een beangstigend toekomstbeeld schetsen.)

 

"It's all just inadvertant imitation
and I don't mean mine
it's all across this nation
if it's just inadvertant simulation
a pattern in all mankind
what's got the whole world faking?"

 

Vooral deze laatste vraag is de hoofdvraag van het nummer. Als nepheid de norm is, waar komt deze drang dan vandaan? (En denk daarbij aan het feit dat iedereen op facebook altijd een gelukkig plaatje van zichzelf wilt schetsen. Je ziet bijna nergens “ik heb een kut-dag” of “ik voel me kut” op de status staan.) Alles moet perfect zijn. What got the whole world faking? Het antwoord ligt in het nummer hiervoor; omdat je pas jezelf kan zijn, pas je demonen kan loslaten, als je jezelf neemt zoals je bent en je gedrag, ook het gedrag die je liever niet vertoont, vergeeft. Hier wordt de interne strijd die deze album kenmerkt, plotseling een universele strijd voor alle mensen.

 

I’m Open

Het volgende nummer is misschien de vijfde sleutelnummer van het album en haakt in op de leegheid die hierboven beschreven wordt. In tegenstelling tot de nummers hiervoor is dit nummer “spoken word”; een gedicht gedragen door een subtiele gitaar, waarvan de melodie me aan het nummer “All alone” doet denken van Mad Season. De tekst van dit nummer is fenomenaal en behoort zonder enige twijfel tot één van de betere teksten die Ed Vedder ooit heeft geschreven. Zowel de tekst, als de subtiele muziek, toont een ongekende kwetsbaarheid die je nauwelijks op een rock album tegenkomt. Hier staat iemand naakt voor je en beroept zich op die universele gevoelens die we allemaal kennen, maar die sommigen van ons ook gevangenen kunnen houden omdat we aan onze angsten en demonen blijven vasthouden, waardoor ware intimiteit onbereikbaar blijft. Het is om deze redenen bijna een tegenpool van “Mankind” die meer het oppervlakkige gedrag van mensen beschrijft en daar een blik op probeert te werpen. Hier gebeurt het tegenovergestelde; hier stelt iemand zich geheel open voor anderen en toont de angsten die hem bezighouden. En misschien liggen deze tegenpolen nog eens niet zover in verlenging van elkaar. Gezien willen worden, ook al is dit "fake" en oppervlakkig, is beter dan niet-gezien worden of alleen zijn. Maar misschien kan ware intimiteit alleen ontstaan als we deze leegheid juist loslaten; alleen dan kunnen we ons openstellen en op een gelijkwaardige voet naar elkaar kijken.

 

 

Ik kan er meer over zeggen, vooral in deze tijd waar oorlogsvoering en geweld de voorpagina's vullen en we niet willen inzien dat geweld naar buiten een oorlog van binnen impliceert. Misschien is het soms goed om gedichten/ teksten te laten voor wat ze zijn en mensen dit op hun eigen manier te laten ervaren en interpreteren. Mocht je dit nummer echter beluisteren, doe het met headphones op en let goed op het achtergrond gezang – een lied zonder woorden – die in elkaar overvloeit, samengaat en dan was loskomt van de muziek. Het is de kwetsbaarheid die hier centraal staat, maar nog meer dan dat, ook de onbereikbaarheid om deze kwetsbaarheid echt te delen. Het antwoord ligt in ons en niet buiten ons en daarin ligt de boodschap:

 

"A man lies in his bed in a room with no door
he waits hoping for a presence, something, anything to enter
after spending half his life searching, he still felt as blank
as the ceiling at which he's stared
he's alive, but feels absolutely nothing
so, is he?

When he was six he believed that the moon overhead followed him
by nine he had deciphered the illusion, trading magic for fact
no tradebacks...
so this is what it's like to be an adult
if he only knew now what he knew then...

I'm open
come in
I'm open...


Lying sideways atop crumpled sheets and no covers
he decides to dream...
dream up a new self for himself"

 

 

 

 

Around the Bend

Hoewel het vorige nummer al een mooie closer voor een album zou zijn geweest, heeft Pearl Jam toch voor een akoestisch nummer gekozen. En dit was een correcte keuze. Hoewel dit nummer op geen enkele manier in mijn top tien staat, zou het album laten eindigen met een “spoken word” onvolledig hebben gevoeld en niet de hoop hebben uitgedragen die deze album intrinsiek met zich meedraagt. Want er is rust in zelfkennis. Er is een berusting in het loslaten van je angsten, zodra je de oorzaak van deze angsten begrijpt. Ik denk dat dit de reden is waarom het album eindigt met een akoestisch gitaar, een piano en een stem die net zoals in “Off he Goes” soms de grenzen van zuiver en vals zingen opzoekt. Voor mij heeft dit nummer altijd als een slaapliedje geklonken. Iets wat je zingt voordat iemand gaat slapen, wat tevens versterkt wordt door de teksten:

 

"I hold your head deep in my arms
my fingertips they close your eyes
off you dream, my little child
there's a sun around the bend, yes
there's a sun around the bend"

 

 

Het eindigen met een slaaplied, past precies in de thematiek van deze plaat. Hier vinden we de ultieme berusting, de veiligheid, dat ondanks al onze worstelingen, dingen goed zullen komen. En zo wordt het nummer ook gedragen. Niet een slaaplied om de ontkenning van problemen voort te zetten. Slapen om blind te zijn. Nee, juist het tegenovergestelde. Een slaaplied omdat we de worstelingen nu achter ons kunnen laten.  Omdat onze ogen zijn geopend, omdat we de patronen, die eerst niet aanwezig waren, plotseling zichtbaar zijn geworden. "There is a sun around the bend."

We weten wie we zijn, we weten hoe we hier zijn gekomen en kunnen het nu ten ruste leggen. Dat is tenminste hoe ik het nummer ervaar; als een afsluiting van een diepgaande worsteling en zelfonderzoek.

 

 

 

Conclusie

En hier komen we misschien tot de kern van deze plaat. Hoewel het No Code heet, in de fragmentatie en opbouw van de nummers geen patroon lijkt te hebben, hoewel de artwork slechts chaos en losse beelden toont, zijn ze toch – als je het geheel goed luistert en tevens heel goed kijkt – met elkaar verbonden. Dit zien we ook als we de album openvouwen en als een vogel de polaroids van een afstand bekijken; van dichtbij zien we het niet, dan zien we slechts splinters, indrukken, bewegingen die ons dagelijkse blik vertroebelen, maar als we van een afstand kijken dan zien we de pols die achter No Code aanwezig is.

 

 

 

 

Hier is het alziende oog. Niet in de zin zoals metselaars of Illuminatie het alziende oog waarschijnlijk bedoelde. Het alziende oog hier is de diepe reflectie die je op jezelf kan werpen en waardoor je eigen motivaties, je eigen dromen, je eigen angsten en je eigen worstelingen plotseling met elkaar worden verbonden en waar een algeheel beeld uit ontstaat.

De titel is dus in hoge mate misleidend. Je zou de album als een verzameling liedjes kunnen benaderen. Maar als je goed kijkt en heel goed luistert, besef je dat er een code achter No Code is.

 

geschreven door Anthonie Holslag

 

Je kunt de plaat hier bestellen.

 

 

 

Voor voorgaande muziek recensies kijk hier:

 

Vitalogy

 

Het meisje dat vlam kon vatten” is een introductie bundel geschreven door Joris van Leeuwen, ook bekend als J. Sharpe. Hoewel de bundel uit vier verhalen bestaat, ligt de nadruk toch bij het titelverhaal waar de bundel mee opent. Zonder al teveel te verklappen wordt hier op een inventieve wijze met de elementen vuur en water gespeeld en is het verhaal, boven alles, een liefdesverhaal over een onmogelijke liefde. Het is moeilijk om niet teveel uit de doeken te doen; een kort verhaal is immers zo verteld en het laatste wat je wilt doen is de verassing bij de lezer wegnemen. Ik kan alleen met zekerheid garanderen dat het verhaal je zal raken en dat als je verder doorleest – de elementen vuur en ijs – een gelaagdheid met zich meebrengt die we allen herkennen.

 

We kennen namelijk allemaal de onbereikbare liefde. We kennen allemaal het gevoel dat het leven even stil staat. Zo een gevoel had ik ook, toen ik dit verhaal las. Het gevoel en beeld dat dit verhaal in me opriep was alsof ik door een prisma staarde, een illusie van kleuren, die ik kon verstoren als ik ook maar een beweging maakte of een andere kant opkeek. De 42 pagina’s waar dit verhaal uit bestaat, neemt je mee door een barre tocht, die tegelijkertijd en onverwacht zal opvlammen. Het is een breekbare reflectie. Een luchtspiegeling die beter onaangeraakt kan blijven.

 

Hoe sterk dit verhaal is, iets minder sterk zijn de verhalen die erop volgen. In het verhaal “Koningin van het woud” dat, en dit kan een verkeerde inschatting mijnerzijds zijn, volgens mij eerder dan het titelverhaal is geschreven. Het vertelt het verhaal van Melissa Hay die een ware transformatie doormaakt met verschrikkelijke gevolgen. Ook hier wil ik niet teveel verklappen, alleen dat dit verhaal, in tegenstelling tot het titelverhaal, meer naar griezel neigt en minder naar magisch realisme. Dat is niet noodzakelijk slecht, maar toont juist de veelzijdigheid van J. Sharpe aan.

 

En dit brengt me eigenlijk tot de laatste twee verhalen, waarvan ook hier magisch realisme en horror zich met elkaar vermengen. "Nevel" vertelt het verhaal van een ongeluk dat uit de hand loopt en die je langzaam meeneemt naar een wereld die zowel bekend als onbekend voorkomt, terwijl het verhaal “De vluchteling”, de kortste van de vier, een duidelijke twist aan het eind heeft. Qua griezel en spanningsopbouw gaf dit verhaal me de meeste kriebels.

 

De rest van de bundel zijn fragmenten en stukken tekst die J. Sharpe bij uitgeverij Zilverspoor heeft uitgegeven.

 

Een verhalenbundel beoordelen is waarschijnlijk het moeilijkste wat er is. Ik ga hier dan ook geen cijfer of beoordeling aan koppelen. Sommige verhalen zullen je meer aanspreken dan andere; dat is intrinsiek aan een bundel. Het enige punt dat ik misschien jammer vind en als een punt van kritiek opgevat kan worden, is dat de bundel eigenlijk en in hoge mate om de titelverhaal draait en dat de andere verhalen niet een duidelijk motief of thema aanwijzen die met het titelverhaal zijn verbonden. Maar dat hoeft ook niet. Misschien ben ik hier slechts als schrijver neurotisch in; dat ik altijd probeer een eenheid te creëren. De titelverhaal maakt dit meer dan goed en zou eigenlijk, op zichzelf staand, de bundel kunnen dragen.

 

7 euro 95, want dat is namelijk de prijs, is sneller aan verkeerde dingen besteed dan aan deze bundel. Sterker nog, het eerste verhaal is dit bedrag al meer dan waard. Het is droevig en meeslepend en het neemt je mee naar een magische wereld die ook tegelijkertijd herkenbaar is. Het is een goede introductie van een veelzijdige schrijver en het geeft je de mogelijkheid om te kijken in de hoofd van J. Sharpe en de boeken die hij heeft geschreven. Is het erg dat de andere verhalen niet zo sterk zijn als het titelverhaal? Nee. Net zoals met alles, hangt ook deze bundel tussen vuur en ijs, en zullen sommige fragmenten en sommige verhalen je doen smelten, terwijl andere verhalen je minder zullen raken. Ik weet dit als een schrijver van bundels als geen ander. Voor mij zijn de koplopers de titelverhaal en “De vluchteling”. Voor jou kunnen andere verhalen de koplopers zijn. Dat maakt niet uit, zo hoort het, dat maken bundels juist sterk en spannend. Ik zou alleen zeggen, kijk uit voor nevels, wouden en vluchtelingen; maar kijk vooral uit naar het moment waar water en ijs, vuur ontmoet.

 

Anthonie Holslag

 

 

 

Om het boek te bestellen, klik hier.

 

Wil je meer weten over J. Sharpe, klik hier.

 

 

Zonder het te weten was mijn boek "Een bloedovergoten dageraad", of tenminste een verhaal daarin, de boek van de maand. Toch altijd een compliment:

 

In dit heerlijk dikke boek vol gruwelijk enge en griezelige verhalen staat het verhaal : Dossier Patiënt “Z”.

Nu vraag je je af wat dat nu met de sprookjesmaand te maken heeft.. Nu het verhaal gaat over een psychiater die zijn persoonlijke notities aangaande een patiënt met ons deelt. Deze patiënt heeft iets met Roodkapje. En daar is de link gelegd.

Nu heb ik wel wat met sprookjes en met name de echte oude originele sprookjes die soms wel heel gruwelijk zijn. In dit verhaal wordt uitleg gegeven over de oorsprong van het verhaal Roodkapje en waar de symboliek voor staat. De patiënt heeft hier namelijk onderzoek naar gedaan.

Uiteraard heeft dit verhaal een heel andere wending dat de Roodkapje zoals jij het je zou herinneren ( iets met een grootmoeder en een wolf) maar als je van een gruwelijk verhaal houd kan ik je dit verhaal en ook de andere verhalen uit deze bundel ten zeerste aanbevelen!

 

Zie hier de link.

 

Sinds mijn boekpresentatie op 20 december 2014 over mijn boek "Een bloedovergoten dageraad", heb ik letterlijk tientallen verzoeken gekregen van aanwezigen om  de lezing die professor Jojada Verrips tijdens de presentatie heeft gegeven nog eens te kunnen nalezen. Tijdens deze lezing heeft hij namelijk niet alleen mijn boek gerecenseerd, maar ook geanalyseerd; hij heeft juist die aspecten eruit gehaald die ik opzettelijk in mijn verhalen had gesponnen. Het was een compliment. Het was een eer. Het was een buitengewone ervaring om een professor die je ooit les heeft gegeven, te zien en die een lezing over jouw boek geeft. En hij gaat de diepte in. Hij snijdt. Hij legt pijnlijke factoren bloot die je niet eens bloot had willen geven. En op dat moment besef je hoe persoonlijk je boek is. Hoe naakt je als het ware bent en hoe verhalen, zoals Aardedonker feitelijk symbool staan voor je ego, superego en je id en dat met name dit verhaal een metaforisch verhaal is over zinloos geweld zelf en de angst die het teweeg brengt, en hoe meisjes in rode mantels, in andere verhalen, voor ontwrichting en het verval van onschuld staan.

 

Er gingen tijdens de lezing duizend dingen door me heen. Hoe vereerd ik was dat iemand mijn boek uit elkaar haalde, maar ook hoe het me ontroerde en raakte en hoe ik even, heel even, weer op de Weteringschans stond. Ik kan Jojada Verrips eigenlijk niet genoeg bedanken. Hij heeft mijn boek niet alleen geanalyseerd, gerecenseerd, hij heeft er gewicht aan gegeven. Hij heeft uit de doeken gedaan waar het om ging en dat het verder ging dan de oppervlakte deed vermoeden.

 

Ik wil hem daarvoor bedanken want ik was, net zoals ieder ander die aanwezig was, door zijn lezing ontroerd.

 

Lezing van "Een bloedovergoten dageraad" door Jojada Verrips

 

Veel vrolijk stemmende momenten komt men in Anthonie Holslag’s nieuwste verhalenbundel Een bloedovergoten dageraad, die hier vanmiddag gepresenteerd wordt, niet tegen. Een uitzondering daarop lijkt de ‘goudovergoten’ dag op pagina 131 te vormen. Maar dan vergist men zich totaal, want juist op die dag, om precies te zijn dinsdag 3 november om een over negen, begon voor de hoofdpersoon uit het verhaal Aardedonker, Joseph, een apocalyptische nachtmerrie met een telefoontje van zijn geliefde Lydia, waarmee hij kort daarvoor naar meer smakende uren had doorgebracht.

 

We worden in dat verhaal meegesleept in een wilde horror carrousel volgeladen met bloeddorstige en angstaanjagende zombies of Lorenz-maniakken zoals Anthonie ze noemt, die de wereld kaal slaan en uiteindelijk ook Joseph in een donker hol onder de grond naar het leven staan. Een prachtig verhaal dat je kippenvel bezorgt en bepaalt bij de krochten van het ego en - niet in de laatste plaats - de menselijke vergankelijkheid.

 

Heel bijzonder er in is het voorkomen van een godsdienstwaanzinnige boer, die zijn eigen vrouw aan gort schoot, zichzelf Adam noemt en zijn zwangere dochter, die eigenlijk Sophie heet, Eva. Een curieus incestueus stel, dat de lezer aan het denken zet over grensoverschrijdend gedrag.

 

Neen, de verhalen van Anthonie zijn niet van het soort waar je je rot om lacht.

 

Ze zitten boordevol met donkere en duistere kamers, kasten, kelders en kisten, kortom allerlei zwarte gaten, waarin van allerlei onheilspellends huist  dat het bloed in de aderen doet stollen of er juist uit laat druipen, gebroed bij voorbeeld in de gedaante van een akelig soort roodkapjes dat op een Lorelei-achtige wijze slachtoffers maakt en mensen meesleurt naar gene zijde.

 

De verleiding is groot om hier nu de verhalen in de bundel stuk voor stuk te bespreken, maar dat zal ik niet doen. Wel wil ik een paar favoriete ‘stories’ noemen.

 

Behalve het al vermelde Aardedonker zijn dat Dossier patient “Z” en De laatste opdracht. Ik vind de formule die Anthonie gekozen heeft om het verhaal over patient “Z” te vertellen, namelijk in de vorm van een dossier, prachtig. Ten tweede sprak me natuurlijk aan, dat die “Z” van huis uit een antropoloog was die een baan had aan de universiteit en onderzoek deed in Oost Europa naar orale tradities en bij passende rituelen, een mij niet geheel onvertrouwd veld.

 

Tijdens het lezen kreeg ik regelmatig het idee, dat Willem de Blecourt, model had gestaan voor “Z”, want die is als geen andere bezig geweest het soort onderzoek dat “Z” verrichtte.

 

Ten derde en tenslotte was ik gecharmeerd van het opduiken van de kwantum mechanica, waarin “Z” zich verdiepte voor hij zich aan de antropologie waagde, omdat ik me de laatste tijd bezig houd met de vraag, wat het bestaan van Q-bits eventueel zou kunnen betekenen voor b.v. het beter verstaan van het fenomeen ambivalentie. Grappig in dit verband is, dat in het verhaal Het grote eindexamen dat je aan mij hebt  willen opdragen, een professor in de kwantummechanica een hoofdrol speelt, maar dat terzijde.

 

De vertelling De laatste opdracht fascineerde me zeer, omdat vampirisme daarin op een heel bijzondere manier ten tonele wordt gevoerd en van nieuwe en zelfs actuele aspecten wordt voorzien, b.v. het onschadelijk maken van kwaad door onthoofding waarover vandaag de dag helaas heel wat te doen is in onze schijnbaar dolgedraaide wereld.

 

Hier wil ik wat betreft het noemen van afzonderlijke verhalen bij laten.

 

In het algemeen heeft het lezen van de bundel, zo heb ik moeten ervaren, een reeks gemoedstoestanden in me opgeroepen.

 

Zo merkte ik bij voorbeeld, dat ik bij bepaalde passages behoorlijk onrustig werd, omdat ze me bepaalden bij allerlei existentiële angsten, waarmee ik eigenlijk liever niet geconfronteerd wil worden en die ik daarom het liefst maar mijd. Voorts betrapte ik me zo nu en dan zelfs op heel magisch denken m.b.t. bepaalde tekstgedeelten, in die zin, dat ik vreesde dat het lezen ervan misschien wel eens datgene aan akeligs zou kunnen oproepen waarover ze handelden. Een heel bizarre ervaring, waarover ik hier verder maar zal zwijgen.

 

In plaats van me te verdiepen in de vraag wat Anthonie’s verhalen met mij in de richting van het irrationele en emotionele hebben gedaan, lijkt het me nu beter (om niet te zeggen veiliger) om in te gaan op een aantal kwesties en gedachten, die ze meer in het algemeen in me hebben opgeroepen.

 

In willekeurige volgorde zijn dat o.a. de volgende geweest:

 

In de eerste plaats dit. Al heel lang ben ik gefascineerd door de vraag, waarom mensen die zich overgeven aan het plegen van soms gruwelijk geweld tegen medemensen daarbij in veel gevallen lachen. Een heel sprekend voorbeeld is b.v. het lachen van de bewakers in de Abu Ghraib gevangenis op het moment waarop ze gevangenen zwaar mishandelden. Wie kent niet de foto van Sabrina Harman met een brede lach op haar gezicht als ze zich over een slachtoffer buigt en haar duim opsteekt? In een kort opstel over dit soort gelach heb ik geprobeerd duidelijk te maken, dat het hier in laatste instantie gaat om een lach, die ambivalent is, omdat men er enerzijds mensen (de slachtoffers) mee uitsluit en anderzijds andere mensen (de mede-daders) mee insluit.

 

Na het lezen van Een bloedovergoten dageraad, waarin geweldpleging van mensen en monsters centraal staat en moord, doodslag en verminking bij wijze van spreken aan de orde van de pagina zijn, zit ik in dit verband een beetje met een probleem. Wat is namelijk het geval? Als men er eenmaal op gaat letten, dan valt op, dat de gruwelijke hoofdrolspelers en –speelsters in Anthonie’s verhalen vrij vaak lachen, glimlachen en/of grijnzen. Kijkt u maar eens op de pagina’s 14, 34, 40,  55,  97, 104, 125, 169, 202, 229, 245, 319, 327 en 478 om er maar eens enkele te noemen, dan zult u beseffen, dat ik hier niets uit mijn duim zuig. Mijn probleem bestaat er uit, dat het lachen van Tony’s  lieve vrienden en vriendinnen gecompliceerder lijkt dan ik wel heb gedacht en opgeschreven in voornoemd opstel. Ik moet dus opnieuw aan het werk.

 

Dan een andere zaak. In een grijs verleden heb ik me een tijdje bezig gehouden met het bestuderen van horrorfilms en wat daar in meer algemene zin voor grondstructuur in te ontwaren viel en in het verlengde daarvan wat voor eventuele morele boodschap. Bij het analyseren er van liet ik me inspireren door de manier waarop de Franse antropoloog Claude Levi-Strauss mythen van zogenaamde primitieve volken had bestudeerd. Volgens hem werden in die mythen extreme posities van samenleven of beter: "niet samenleven" geschilderd teneinde duidelijk te maken, dat die posities in werkelijkheid sociaal en moreel onhoudbaar zijn, omdat ze bij realisering chaos en destructie tot gevolg zouden hebben. Ik kwam uiteindelijk tot de slotsom, dat in het geval van horrorfilms van iets dergelijks sprake was en dat men ze daarom als moderne mythen zou kunnen beschouwen. Moderne mythen waarin niet alleen allerlei soorten angsten en vrezen tot uitdrukking zouden worden gebracht, maar waarin ook sprake is van de aanwending van het disproportionele, monsterlijke en mysterieuze om een specifiek soort morele berichten over te brengen over hoe men kan en moet omgaan met seksuele en agressieve passies en emoties.

 

Zo opgevat kunnen horrorfilms in zekere zin gezien worden als de opvolgers van de hel en verdoemenis preken van weleer of, anders geformuleerd, “new means of moral orientation in a secular world” en dus niet, zoals zovele tegenstanders van het genre, als juist de bron van veel kwaad.

 

Ik heb de tijd niet gehad om Anthonie’s verhalen vanuit dit perspectief te bestuderen, maar in sommige gevallen kreeg ik sterk de indruk, dat daarin bij nader inzien sprake is van precies het soort morele ondertonen en imperatieven waarover ik het hier heb. Niet zo verbazingwekkend lijkt me gezien het feit, dat hij zijn ontwrichtende ervaring met een gewelddadig trio agressievelingen door ze te schrijven heeft willen verwerken.

 

“Zinloos geweld heeft geen plaats in het dagelijks leven. De meisjes symboliseren dat,” schrijft hij in zijn introductie. Horror als moreel medicijn zou je bijna zeggen. Niet alleen voor hem zelf, maar ook voor zijn lezers. die hij in zijn verhalen betrekt. Overigens begrijp ik het gebruik van de uitdrukking ‘zinloos geweld,’ maar met Anton Blok die daar een prachtig stuk over schreef, ben ik van mening, dat er op de keper beschouwd geen zinloos geweld bestaat; geweld mag geen zin hebben in de ogen van de slachtoffers, maar dat heeft het wel degelijk in die van de mensen die het gebruiken, maar dat is niet onze zin, dus niet zin of sterker zinloos.

 

Tot slot nog een derde kwestie, die bij me op kwam naar aanleiding van het lezen van verhalenbundel. Die heeft betrekking op het feit, dat horror naar het schijnt niet echt gedijen kan zonder transgressies met betrekking tot drie fundamentele terreinen en wel seks, dood en het transcendente of wat abstracter geformuleerd de alfa en de omega van ons bestaan en de gecombineerde alfa en omega daarboven, daarnaast of daaronder. Over destructie en dood hoeven we het in verband met de bundel niet te hebben, want die twee fenomenen spetteren door het hele werk heen op je af, maar de seks en het transcendente lijken er wat kariger van af te komen, althans in mijn visie.

 

Maar dat wil niet zeggen, dat het transcendente en seks waar ze voorkomen oninteressant zouden zijn, want dat is geenszins het geval. Heel fascinerend is b.v. het opduiken van uitgesproken mesalliances en incestueuze betrekkingen, waarover nog heel wat te zeggen zou zijn, ware het niet dat de tijd me dat verbiedt.

 

Anthonie, je hebt een rijke en boeiende bundel het licht doen zien, die me niet alleen op verschillende manieren geraakt heeft, maar die me ook aan het denken heeft gezet over een aantal onderwerpen, die me al lang interesseren.Ik hoop voor jou en je uitgever, dat je werk bij een groot publiek mag aanslaan en dat je in je verdere leven gevrijwaard mag blijven van aanvallen van “Lorenz-maniakken".

Jojada Verrips
17 december 2014.


 


 

 

 

Blog

Contact