Navigatie

 

Ik wil je meenemen naar het begin van de jaren negentig. Bush senior is nog aan de macht. Clinton begint naamsbekendheid te krijgen. Niemand heeft nog van Monica Lewinski gehoord. De wereldpolitiek wordt twaalf jaar door het neoconservatisme bepaald en de Koude Oorlog is bijna ten einde. De gedachte dat de zoon van Bush senior, op dat moment een cocaïne snuivende rebel, president zou worden, zou voor velen humoristisch en absurd zijn.

Ook technologisch was de wereld anders, zodanig dat we deze ons nu nauwelijks kunnen voorstellen. Internet was nog niet in gebruik. Telefoons zaten aan lange snoeren vast. Computerspelletjes reikten qua vormgeving niet verder dan Pacman of Space Invaders en de muziekscène, die voornamelijk bestond uit bands met gitaren en liters hairspray, werd opgeschrikt door een groep jonge muzikanten uit Seattle.

Dit zijn de Verenigde Staten die ik ken. De Verenigde Staten waar ik een deel van mijn tienerjaren ben opgegroeid. Dit zijn ook de jaren waarin de verhalen in deze bundel zijn geschreven. Ik was zestien toen ik naar de Verenigde Staten verhuisde. Ik woonde in een klein plaatsje in Upstate New York, Watertown, dat nationale bekendheid kreeg toen de media ontdekten dat daar in 1972 een beruchte seriemoordenaar woonde, die daar zijn eerste misdaden had gepleegd voordat hij naar Rochester verhuisde en de bijnaam The Genessee River Killer kreeg.

Watertown was een klein plaatsje, dat destijds gekenmerkt werd door twee hoofdstraten, met daartussen een enorm plein, met daaromheen een gemeentehuis en een bibliotheek. Er waren bijna geen winkels, naast de grote winkelcentrum aan het uiteinde van het dorp, wel waren er tientallen fastfood restaurants die met hun neonborden de nacht deden oplichten. Ik noemde Watertown wel eens sarcastisch de “Las Vegas van de fastfood”. Vijf maanden van het jaar was het dorpje door meters sneeuw bedekt. Dit kwam voornamelijk door de sneeuwstormen van de Grote Meren waardoor het in Upstate New York nog kouder was dan in Alaska. Zelfs zo koud dat het Amerikaanse leger in de jaren tachtig had besloten daar een legerbasis te plaatsen, zodat soldaten er - met het oog op de Koude Oorlog - in erbarmelijke omstandigheden konden oefenen.

Deze legerbasis, Fort Drum, groeide explosief, waardoor de huisprijzen in Watertown omhoog schoten. Hierdoor ontstond er een nieuwe onderklasse. Er waren ‘locals’, mensen die in het dorp waren geboren en, zoals ze wel eens gekscherend werden genoemd, ’army brats’, buitenstaanders, veelal van Afro-Amerikaanse afkomst, die nog niet de rang hadden om zelf op de legerbasis te wonen. Hier zat ik, zestien jaar oud, boos en afgezonderd, ergens tussen de ’locals’ en ’army brats’ in, in een dorp dat vijf maanden van het jaar praktisch van de buitenwereld was afgesloten. Zowel het dorp als de mensen gingen gebukt onder het dubbele moraal en de harde economie van het neoconservatisme. Het Watertown dat ik kende was ruraal, achtergesteld en racistisch.

Het is onder deze omstandigheden dat ik de verhalen die in deze bundel zijn samengebracht, heb geschreven. Het zijn vertellingen waarbij ik de wereld om me heen probeerde te begrijpen. Waar ik ergens gaandeweg, in mijn jeugdige opstandigheid, de maskers die ik om me heen zag wilde wegscheuren om zo wat er onder zat zichtbaar te maken. Ik wilde werkelijkheid en niet de façade laten zien. Eigenlijk was ik een ‘angry young man’, een puber, die nog heel wat uit zijn jeugd te verwerken had en dit ook via zijn verhalen deed.

Dit schrijf ik niet om mijn verhalen tekort te doen, of nog erger, te excuseren, maar slechts om ze te plaatsen in de tijdsgeest waarin ik ze geschreven heb.

Stel je dan ook het volgende scenario voor. Ik werkte van elf in de ochtend tot twee uur in de middag bij Wendy’s. Omdat ik niet voldoende geld had om rond te komen, propte ik kranten in mijn schoenen om zo de gaten te dichten en de kou tegen te gaan. Rond vijf uur in de middag stond ik weer in het restaurant, totdat dit om vier uur in de nacht weer dichtging. Overwerken betekende namelijk een uurloon van 5 dollar 10 in plaats van 3 dollar 15.

Ik werkte zoveel mogelijk over.

Als ik dan naar huis liep - ik woonde ongeveer vijf minuten van Wendy’s vandaan - bedacht ik allerlei verhalen, die ik tussen mijn werkzaamheden door op servetjes of in notitieboekjes schreef. Toen waren de klassieke schrijvers Poe, Le Fanu, James, Shelley, maar ook Barham en Hawker mijn grote voorbeelden. En waren het de meer moderne schrijvers zoals King (die in mijn optiek nog steeds schromelijk wordt onderschat), Barker, Straub, Koontz, Campbell of de in Nederland minder bekende McCammon, wiens boek Swan Song ik iedereen kan aanraden, die me inspireerden. Ze waren mijn voorbeelden, maar meer dan dat waren ze de stemmen die mijn stem - een stem van woede, een stem van afzondering, een stem van rebellie - vertegenwoordigden.

Daar in de sneeuw, zag ik een vrouw achter een stuur voor me, worstelend met haar schuldgevoelens. Of een oude man die in een verlaten winkel een elektrische zaag koopt. De verhalen in deze bundel zouden zonder deze achtergrondinformatie niet kunnen worden begrepen. Ze geven de worstelingen van mijn tienerjaren weer. Een momentopname van hoe ik de wereld ervoer. Het zijn verhalen die ons een glimp achter het dagelijkse probeert te geven. Het moment dat de maskers wegvallen en de ware ’ik’ voor een seconde wordt ontbloot.

Dat was mijn doel. Soms lukte het me. Soms faalde ik. Soms wist ik iets te raken.

Zwarte muren, ik zag overal zwarte muren.

Want wees eens eerlijk… Hoor je het niet? Die knagende en klagende stem die niets liever wil dan naar buiten breken en schreeuwen, eindeloos schreeuwen, wat zij nu daadwerkelijk denkt en voelt?

 

Ik hoor het? Jij ook?

 

Anthonie Holslag
December 2011

 

Om te bestellen klik link.

Blog

Contact